Onderzoek, pilots en richtsnoeren: hoe Nederland waterstof en waterstofdragers veilig maakt

Carel Kijne van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (links) en Rindert Groeneveld van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (rechts).
21-11-2025

Bedrijven die met waterstof en waterstofdragers werken, hebben duidelijk beleid over veiligheid nodig om te groeien. Beleidsmedewerkers van de ministeries van Klimaat en Groene Groei (KGG) en van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) geven een overzicht van de laatste ontwikkelingen.

Carel Kijne (KGG) richt zich op het risicobeleid rond waterstof en waterstofdragers. Hij werkt vooral aan de veiligheid van nieuwe en veranderende energieactiviteiten.

Rindert Groeneveld (IenW) werkt aan de veiligheid van de energietransitie. Zijn focus ligt op omgevingsveiligheid. Dat betekent dat hij kijkt hoe we de risico’s voor mens en omgeving zo klein mogelijk houden.

Waterstofdragers in opkomst, maar veiligheid voorop

Sinds een paar jaar spelen waterstofdragers volgens Carel en Rindert een steeds grotere rol in de waterstofmarkt. Maar: deze stoffen brengen ingewikkelde veiligheidsvragen met zich mee. “We vervoeren ze niet alleen naar Nederland toe, maar ook door het hele land en naar de industriële regio’s van bijvoorbeeld Duitsland”, zegt Carel. Bovendien hebben sommige dragers giftige eigenschappen, zoals ammoniak. “Bij een eventueel incident met ammoniak kan er een gifwolk ontstaan. Dat is een ander type risico dan we kennen van fossiele brandstoffen. Het risico zelf is niet helemaal nieuw, maar we verwachten dat het gebruik en vervoer binnenkort gaat om veel grotere hoeveelheden. Daarom moeten we nu al nadenken over hoe we daar mee om willen gaan. Dan gaat het bijvoorbeeld om hoe we deze stoffen vervoeren, maar ook over waar we bepaalde activiteiten wel of niet willen toestaan.”

Balans tussen veiligheid en verduurzaming

Die veiligheidsvragen spelen niet alleen bij ammoniak, maar ook bij andere stoffen. Denk hierbij aan methanol en vloeibare organische waterstofdragers (LOHC)’s. “Elke stof heeft een ander gebruik en brengt eigen risico’s met zich mee. Nederland is streng als het gaat om de veiligheid hiervan”, vertelt Carel. “Steeds meer bedrijven willen met de verschillende waterstofdragers werken om hun activiteiten te verduurzamen. Daarom is het belangrijk om te bepalen hoe we daarmee willen omgaan. We willen voorkomen dat er een discussie ontstaat tussen ‘veiligheid’ en ‘verduurzaming’. Hierbij moeten we kijken naar alle relevante belangen uit de samenleving en deze in balans brengen. Dat is precies wat KGG en IenW de afgelopen tijd ook deden bij het opstellen van onze kabinetsvisie op waterstofdragers.”

Waterstofdragers om waterstof uit buitenland te halen
Waterstofproductie kost veel ruimte en energie. Daarom kunnen we niet alles zelf produceren en moeten we ook waterstof uit het buitenland halen. “Daarvoor gebruiken we waterstofdragers”, zegt Carel. Dat zijn stoffen waaraan we waterstof kunnen binden, zoals ammoniak, methanol en LOHC’s. Ze maken het transport en de opslag van waterstof makkelijker, omdat ze minder ruimte innemen dan waterstofgas.

Duidelijkheid door visie

De visie op waterstofdragers verscheen aan het einde van 2024. Deze visie is belangrijk voor bedrijven die met waterstofdragers willen werken. Hierin staat namelijk hoe het kabinet aankijkt tegen de opslag, het transport en het gebruik van waterstofdragers in Nederland. Met deze visie kunnen bedrijven zich dus beter voorbereiden op wat er komt. Carel: “We beschrijven de verwachte ontwikkelingen en hoe we hiermee willen omgaan. De overheid geeft haar voorkeuren aan: wanneer en hoe kunnen we verschillende dragers gebruiken? En welke rol ziet de overheid voor zichzelf bij het aanmoedigen of afremmen van bepaalde activiteiten?”

Meer weten over de kabinetsvisie op waterstofdragers? Lees ook ons interview met Jeroen van Bochove en Jos Benner.

Nieuwe onderzoeken zorgen voor meer inzicht

Er gebeurt veel rondom waterstofdragers. Daarom is de visie niet definitief. “We volgen de ontwikkelingen en passen de visie aan als dat nodig is”, benadrukt Carel. Volgens Rindert is hiervoor wel aanvullende kennis nodig: “Daarom laten we een aantal onderzoeken uitvoeren.”

Bijstellen van verwachtingen over hoeveelheden waterstofdragers

Eén van die onderzoeken is een update van de volumestudie naar de import van waterstofdragers uit 2023. Rindert: “Hiermee willen we een beter beeld krijgen hoeveel waterstofdragers in de komende 5 tot 15 jaar naar Nederland en Europa komen. Ook willen we weten voor welke doeleinden bedrijven ze gebruiken: als brandstof, grondstof of beide? Tot slot willen we erachter komen of er veranderingen in de markt zijn waar we als overheid een rol moeten spelen.”

De precieze resultaten zijn nog niet bekend, maar de eerste indrukken wijzen erop dat er een correctie komt van eerdere hoge verwachtingen uit de studie van 2023. Volgens Carel is het verschil te verklaren door een beter inzicht in de huidige verwachtingen van de markt: “In de eerdere studie stonden scenario’s gebaseerd op soms concurrerende plannen van bedrijven. En tot nu toe zijn niet alle plannen van een paar jaar geleden uitgevoerd. Verder stellen bedrijven nog steeds investeringsbeslissingen uit door onzekerheid over de waterstofmarkt.”

De correctie betekent volgens Carel niet dat het werk dat volgde na de vorige volumestudie overbodig was: “De hoeveelheden van deze gevaarlijke stoffen nemen sowieso toe, dus het onderzoek was alsnog nuttig om een goede basis te leggen voor de toekomst.”

Ammoniakroutes onder gelijke voorwaarden

De overheid laat onderzoeken wat haar voorkeuren rondom het vervoer van ammoniak per trein betekenen voor bedrijven. In de visie op waterstofdragers heeft treinvervoer niet de voorkeur. “De meeste spoorverbindingen lopen namelijk door stedelijke gebieden. Maar het liefst houden we gevaarlijke stoffen daar zoveel mogelijk uit de buurt”, zegt Carel. Als vervoer per trein toch gebeurt, adviseert de overheid het gebruik van de Betuweroute. Rindert: “Daar zijn al voorzieningen voor de omgevingsveiligheid.”

Alleen de haven van Rotterdam sluit direct aan op deze route. Andere havens die plannen voor het vervoeren van ammoniak hebben, moeten een omweg maken om de Betuweroute te gebruiken. Daarnaast is het soms niet logisch om via deze route te rijden, omdat de eindbestemming op die manier niet te bereiken is. Rindert: “Dat maakt het vervoer duurder en zet die havens automatisch in een minder gunstige positie.”

Het onderzoek vergelijkt daarom logische routes voor bedrijven die ammoniak willen vervoeren, en de gevolgen ervan voor de omgevingsveiligheid en verkeersdrukte. “Zo kunnen we beoordelen of de uitspraken in de visie nog kloppen en of we de voorkeuren moeten aanpassen. Ook kijken we of het nodig is om de voorkeuren dwingender vast te leggen, het liefst door afspraken te maken met het bedrijfsleven”, zegt Rindert.

Incidenten onder controle krijgen

Er loopt ook een onderzoek naar de effecten van incidenten met waterstofdragers voor hulpdiensten. De ministeries van IenW, KGG en het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) zijn hierbij betrokken. “De kans dat er iets misgaat met stoffen als ammoniak is klein. Maar als het gebeurt, kan het ernstig zijn”, zegt Carel. “Het is belangrijk dat hulpdiensten zoals de brandweer dan goed kunnen ingrijpen. Maar zij geven aan dat ze bij een groter incident weinig kunnen doen.”

Om hulpdiensten hierbij beter te ondersteunen, richt het onderzoek zich vooral op mogelijke incidentscenario’s. Deze beschrijven wat er precies kan gebeuren en wat dat betekent voor het handelen van hulpdiensten. Daarnaast bekijkt het onderzoek of nieuwe technieken de gevolgen van een incident kunnen beperken of wegnemen. Carel: “Er blijft altijd een hele kleine kans dat er iets ernstigs gebeurt waar weinig tegen te doen is. Maar bijvoorbeeld bij gekoeld, vloeibaar ammoniak is de kans op een grote gifwolk een stuk kleiner. Hierdoor is het mogelijk een goed alternatief. Het is belangrijk om deze opties goed te onderzoeken.” Omdat deze technieken nog niet overal mogelijk of toegestaan zijn, werkt IenW nu ook aan internationale regels om ze zowel binnen als buiten Nederland te kunnen gebruiken.

Onderzoeksrapporten half 2026 beschikbaar
Alle onderzoeken lopen tot het eerste kwartaal van 2026. De publicatie van alle rapporten volgt naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026.

Leren over waterstofveiligheid in woningen

Naast waterstofdragers, zijn ook de waterstofpilots in de gebouwde omgeving  een belangrijke ontwikkeling van de afgelopen jaren. Laatst is bijvoorbeeld de pilot in Lochem na 3 jaar succesvol afgerond. “We experimenteerden tijdens deze pilot met CV-ketels op waterstof in woningen”, vertelt Carel. “Ook leerden we hoe we waterstof veilig via bestaande aardgasleidingen bij de huizen kunnen krijgen. Deze inzichten zijn niet alleen handig voor de gebouwde omgeving, maar kunnen we ook gebruiken wanneer we bedrijven gaan aansluiten op een waterstofnetwerk.”

Van richtsnoer naar permanente regels

Deze pilot kon veilig plaatsvinden vanwege het richtsnoer voor waterstof in de gebouwde omgeving. Dat is een richtlijn voor ontwikkelingen waar nog geen regels voor zijn. “We willen bepaalde punten uit het richtsnoer definitief maken in de regels onder de Energiewet”, vertelt Carel. Daarom evalueert in 2026 een onafhankelijke partij het document. “Op deze manier willen we erachter komen welke punten uit het richtsnoer wel en niet goed werken, zodat we dit uiteindelijk mee kunnen nemen in de definitieve regels.”

Nieuwe richtsnoeren in 2026
Naar verwachting verschijnen er half 2026 een aantal nieuwe waterstofrichtsnoeren voor:

  • ondergrondse waterstofopslag in zoutcavernes;
  • waterstof voor duurzaam verkeer en vervoer (mobiliteit) en op bouwplaatsen;
  • decentrale activiteiten met waterstof.
Voor die tijd stemmen de ministeries de conceptversies af met belanghebbenden, zoals medeoverheden en bedrijven. Partijen die mee willen denken, kunnen dit laten weten via waterstof@rvo.nl.

Deze onderwerpen staan in 2026 centraal

Carel en Rindert zien voor volgend jaar 2 belangrijke thema’s: vooruitkijken naar opkomende waterstofdragers, en werken aan een duidelijker vergunningsproces.

Waterstofdragers van de toekomst in beeld

In 2026 wil de overheid zich voorbereiden op de opkomst van andere waterstofdragers, zoals vloeibare waterstof (LH2). Volgens Rindert bleek bij ammoniak hoe snel een markt kan groeien en welke uitdagingen daarbij horen. “Opeens kwamen de eerste vergunningsaanvragen al binnen, terwijl het nog niet duidelijk was hoe we met grote hoeveelheden ammoniak moesten omgaan”, vertelt Rindert. “Om dit in de toekomst te voorkomen, willen we nu alvast bekijken welke waterstofdragers de komende tijd mogelijk populairder worden. En hoe we daar veilig mee omgaan. De ministeries werken hierbij samen met verschillende medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. Het initiatief hiervoor kwam van de DCMR Milieudienst Rijnmond.”

Vergunningen soepeler en duidelijker

Ook Carel ziet vergunningverlening als belangrijk aandachtspunt voor 2026. “Projecten uit de zware industrie die veel waterstof gebruiken lopen nu langzaam, maar kleinere initiatieven gaan gewoon door. Voor hen is vergunningverlening de grootste uitdaging.” Waterstof is nieuw voor zowel bedrijven en omgevingsdiensten, waardoor het volgens Carel lastig is een vergunning te krijgen. “Maar het is belangrijk dat die waterstofprojecten er komen. Daarom werken we het komende jaar aan een veiligheidsrichtsnoer  voor decentrale activiteiten. Dat gaat vooral over zaken die relevant zijn voor het vergunningsproces, zodat het zo soepel mogelijk verloopt.”

Themagroep ‘Veiligheid’ binnen het NWP
Rindert en Carel zijn samen de thematrekker voor het onderwerp ‘Veiligheid’ binnen het Nationaal Waterstof Programma (NWP). Carel: “Afgelopen anderhalf jaar waren we heel druk met het onderwerp waterstofdragers, maar nu gaan we weer verder met andere onderwerpen over veiligheid rondom waterstof.” Betrokkenen bij de themagroep krijgen binnenkort een mail met de plannen voor 2026.

Meer informatie

Afbeeldingen

X (voorheen Twitter)

Cookie-instellingen